Categorie archief: Uncategorized

Brief aan Mevrouw Smeyers

Beste Mevrouw Smeyers,

Als Belg in het buitenland en moeder van een leuk 4-jarig mengseltje van Ecuatoriaans en Vlaams bloed, heb ik met verbazing kennis genomen van uw burgerschapsvoorstel. Volgens dat voorstel zal mijn zoontje, zodra hij 18 wordt, een examen moeten afleggen om te bewijzen dat hij écht wel voldoende Belg is om het Belgische staatsburgerschap te verdienen. Ik sta perplex, want ziet U, ik dacht dat hij al Belg was?

Hoewel mijn zoontje in Spanje woont en opgroeit, voelt hij zich namelijk even zo Belgisch als zijn mama. Op 6 december wacht hij vol spanning de komst van Sinterklaas af, die, zoals u ook wel zal weten, eerst alle Belgische kindjes in Spanje bezoekt alvorens met de boot richting Lage Landen te reizen. Met Pasen gaat hij op zoek naar de chocoladen eitjes die de Paashaas op onze patio heeft verstopt, hij houdt van ‘bokes met sop en soaker’, leerde de andere kindjes van zijn kleuterklasje ‘Parapluutje Parasolletje’; een liedje dat ze daarna met veel verve zongen voor een groot publiek tijdens het kerstconcert van Escola Les Roques Blaves (Esparreguera) én hij houdt van regelmaat en orde. Hij spreekt Spaans, Catalaans, een mondje Engels en, uiteraard, Nederlands. Hij zegt appelsien in plaats van sinaasappel en hesp in plaats van ham, zoals het een goeie Vlaming betaamt. Hij heeft graag chocolade korreltjes op zijn pudding en eet zijn aardbeien met bruine suiker uit Tienen, waarvan steevast een kilo of twee wordt meegebracht uit België door bezoekende familie en vrienden.

Hij lijkt me een Belg bij uitstek: meertalig, zich confortabel voortbewegend tussen verschillende culturen, met een flexibiliteit en diplomatie die enkel een Belg in hart en nieren aan de dag kan leggen. Dàt is wat Belg-zijn voor mij inhoudt, mevrouw Smeyers.  En dat valt niet te vatten op een examenblad met vermoedelijk een mix van trivial pursuitvragen over ons dierbaar vaderland. Vragen waarop de gemiddelde 18-jarige met twee Vlaamse ouders waarschijnlijk het antwoord ook niet weet.

Mijn zoontje  is Belgisch omdat zijn moeder Belgische is en Ecuadoriaans en Spaans omdat zijn vader de dubbele nationaliteit heeft. Van elke cultuur en nationaliteit proberen we hem het beste mee te geven: Belgische diplomatie en gevoel voor orde en regelmaat, Ecuadoriaanse levensvreugde, Spaanse openheid… We zijn er nu eenmaal van overtuigd dat een mix van het beste van alles een uniek maar prachtig resultaat kan opleveren.  Net zoals ons eigen land dat is: een mengsel van Germaanse en Latijnse culturen en talen, van joie de vivre en gezelligheid, van purpre hei en Ardense heuvels (al noemen wij Belgen het bergen)… uniek en prachtig.

Ik ben niet de enige die dit zo aanvoelt, Mevrouw Smeyers. Mijn menig wordt gedeeld door velen anderen  in een gelijkaardige situatie: met een niet-Belgische partner en multiculturele kinderen. Het is in hun naam en in naam van al hun kinderen, dat ik u dringend verzoek terug te komen op uw voorstel dat enkel nodeloos verscheuring brengt waar eenheid regeert. Heeft de werelgeschiedenis ons nog niet voldoende geleerd dat mensen opbergen in vakjes van ras, nationaliteit, religie of welk ander criterium dan ook, alleen maar miserie, haat en zelfs bloedvergieten met zich meebrengt? Kunnen we in deze geglobaliseerde wereld alsjeblieft minder in hokjes denken en wat meer in allesomvattende cirkels? Open uw ogen en kijk rond in het Vlaanderen en het België van vandaag: het is de mix van culturen, religie en kleur die ons heeft gemaakt tot wat we vandaag zijn. En dat is helemaal zo slecht nog niet.

Met vriendelijke groet,

Karolien

Belg, Vlaming én wereldburger

Wie zich ook Belg én wereldburger voelt en Mevrouw Smeyers wil laten weten hoezeer ze ernaast schiet met haar voorstel, kan een mailtje sturen naar: sarah.smeyers@n-va.be

Advertenties

Spoken bestaan niet

Zaterdag zat ik in de auto op een drukke parking te wachten tot Kai wakker zou worden uit zijn middagdutje, terwijl mijn man ondertussen in een winkel iets kocht. Twee vakjes van mij verwijderd stopte er een gammele Peugeot. En uit die gammele Peugeot stapte een Arabische man. Met baardje. In plaats van meteen door te lopen naar één van de winkels rondom de parking, liep hij een paar rondjes rond zijn wagen. Dat vond ik al meteen verdacht. Hij rommelde wat aan het raampje, keek nog eens binnen in de auto, draaide nog eens een rondje en liep toen weg richting de doe-het-zelf-winkel, niet zonder nog een paar keer om te draaien en naar zijn auto te kijken. Dit alles onder mijn waakzaam en ondertussen ietwat nerveus oog. Zou dit een bomwagen zijn? Had hij ergens onder zijn dashboard een clusterbom geïnstalleerd die hij zo meteen vanop afstand zou doen exploderen? En stond mijn auto, vier vakjes verder, dan in de gevarenzone? Zou ik niet beter mijn raampje dichtdraaien? Of beter openlaten om te vermijden dat bij een explosie al dat glas in mijn gezicht zou vliegen? Zou ik mijn auto niet beter nog een paar vakjes verder parkeren, voor alle zekerheid? Maar hoeveel vakjes dan? De nuchtere Belg in me begon op de ogenblik gelukkig op te spelen en maande me tot kalmte aan. ‘Allé, hysterische trut, doe normaal. Het is niet omdat iemand een moslim is dat hij automatisch een terrorist is. Laat staan dat hij op een afgelegen stuk parking van een shoppingcenter in Sant Boi, of all places,  een bom gaat doen ontploffen. Blijf nu gewoon staan,  anders kan de echtgenoot je zo meteen niet vinden en dan is het wél echt keet.’

Tien minuten later stopte er schuin achter me nog een auto. Weer met een Arabier of Marrokaan met baardje achter het stuur. Aan zijn achteruitkijkspiegel bungelde een korantekst. Onmiddelijk verkeerde ik weer in staat van alertheid. Tot ik zijn gehoofddoekte vrouw bemerkte die een zoontje van een jaar of 4 uit de wagen tilde. ‘Ik denk niet dat ze hun kinderen zouden meenemen op een raid’, stelde ik mezelf gerust.

Om maar te zeggen hoe belachelijk een mens kan reageren als hij bang is. Want dat ik bang ben is wel duidelijk. Ik zie overal spoken. Spoken met baarden en lange jurken. Spoken met bommen en geweren. Gelukkig weet ik dat een liedje zingen de beste remedie tegen angst is, dus ik stel voor dat we nu allemaal samen uit volle borst meezingen: spoken bestaan niet, spoken bestaan niet…. En daarom zijn wij ook  niet bang!

5 minuutjes

Het alarm van mijn GSM ging af om 20 voor 7. Kai knorde even en draaide zich om. ‘Nog 5 minuutjes, ja’, dacht ik, terwijl ik het alarm afdrukte. Er moet een wiskundige stelling bestaan die verklaart waarom die ‘5 minuutjes nog’ altijd automatisch uitmonden in drie kwartier. Een stelling van Pythagoris voor slaapkoppen. Om half acht werd ik dus paniekerig wakker en begon de race tegen de klok om mezelf en zoonlief tijdig aangekleed te krijgen, de laatste bij mijn moeder af te zetten en mezelf richting werk te rijden. Wat me overigens lukte.

Ja, ik slaap wel eens bij Kai in bed. Kai slaapt ook wel eens bij ons in bed. Ik besef, niet iedereen is hier voorstander van. Ons moeke gewaagt van ‘verkeerd aangeleerd’. Want bij ons thuis gebeurde dat dus nooit. Daar sliep iedereen altijd in zijn eigen bed. Nachtmerries of geen nachtmerries. Ziek of niet ziek. Gezellig of niet gezellig. Ieder in zijn eigen bed. Want dat hoort zo. Met uw kinderen slapen is ‘verwennerij’ en ‘ aankweken van verkeerde gewoontes’.

Ik moet eerlijk zeggen dat ik er in het begin ook zo over dacht. Wanneer Gary zich op de zetel of in bed nestelde met Kai dicht tegen zich aan, was ik altijd de eerste om te zeggen: ‘Efkens maar, he? Anders kan hij straks niet meer alleen slapen!’. Maar Kai bleek zowiezo al geen fantastische doorslaper te zijn. Hij was al ruim een jaar oud toen we voor het eerst een nachtje konden doorslapen. En hij sliep alleen in als je erbij bleef zitten. Dus vantijd vielen we al eens naast hem in slaap en werden we halverwege de nacht wakker in Kai zijn bed in plaats van in het onze. Geloof me, we hebben er tegen gevochten. Een stoel in de kamer gezet omdat een verticale positie minder slaapverwekkend is dan een horizontale. Met Kai proberen redeneren over hoe iedereen in zijn eigen bedje slaapt en hoe hij alleen moet leren slapen. Deur dicht en weg. Die tactiek gaven we op na een week omdat hij per nacht gemiddeld zo’n 5 keer luid huilend wakker werd. Nu is hij bijna drie, valt snel in slaap (al moeten we er wel even naast gaan liggen) maar wordt toch minstens één keer per nacht wakker. Omdat hij koud heeft of een nachtmerrie heeft gehad . En om hem weer in slaap te krijgen moeten we er dus even naast gaan liggen. En als dat om 4 uur ’s morgens is valt een mens al eens in slaap.

Ik vecht er niet meer tegen. Het is zoals het is. Maar eerlijk is eerlijk, ik vind het ook wel leuk. De regelmatige ademhaling van een slapend engeltje is ongelooflijk rustgevend. Als ik naast Kai lig en naar zijn ontspannen slapende gezichtje kijk, voel ik hoe de chaos en stress van de dag naar de achtergrond verschuift en alleen wij nog bestaan, hij en ik, mama en kindje, samen zwevend op een wolkje van dromen. Soms strekt hij zijn handje uit en legt dat tegen mijn wang. Of steekt hij zijn neus in mijn haren om dan zo in slaap te vallen. ‘Mami, te quiero mucho’, mummelt hij soms, voordat hij definitief richting dromenland verdwijnt.

Zo verkeerd kan dat dan toch niet zijn?

 

10689461_10152929840983545_1818205226852023199_n

Zeg nu zelf… wie kan deze aanblik weerstaan?

Temperatuurgeschillen

Zoals elk jaar rond deze tijd is op kantoor een kleine klimaatoorlog uitgebroken. Tussen voor- en tegenstanders van de verwarming, tussen de warm- en koudbloedigen, tussen de ‘hete stoven’ en de koukleumen. Want herfst in Barcelona is een vreemd iets. Het betekent frisse temperaturen ’s morgensvroeg (9-10º in Esparreguera, 11-14º in Barcelona City) die in de loop van de morgen kunnen oplopen tot een bijzonder aangename 22º of meer in de zon.
De beste manier om hier mee om te gaan is je in laagjes te kleden, en in de loop van de morgen laagje na laagje af te pellen. Op die manier is het eigenlijk niet eens nodig op kantoor de verwarming aan te zetten. Maar dat is buiten de collegaatjes gerekend. De collegaatjes komen ’s morgens dik ingeduffeld aan. Met winterjas en sjaal tot vlak onder de neus, die ze op kantoor gezwind uittrekken om daarna de thermostaat op 30º zetten en in een dun, modieus bloesje achter hun bureau te kruipen. Wanneer de zon rond 10 uur begint op te warmen en vol op de glazen façade staat, lijkt ons kantoor plots een Caribisch ministaatje en gaat de thermometer door het lint. Ik ben er zelfs van overtuigd dat we stiekem wat geld zouden kunnen bijverdienen door onder onze tafels eieren uit te broeden. Niks geen warme lampen nodig, zo gewoon op de grond in een doosje komt dat vanzelf in orde.
Ik zal wel overdrijven, hoor ik daar al enkelen zeggen? Ter illustratie: het is eind november en ik zit achter mijn computer met een mouwloos kort jurkje aan, met niks eronder behalve de obligate BH en slip, en zonder panties of broekkousen enigerlei. Na de middag zal zelfs die tenue met te warm lijken en rond een uur of vier zal ik capituleren en smeken of alsjeblieft de verwarming uit mag en de airco aan. Het raam even openzetten is helaas geen optie, want dat tocht. Althans volgens het dichtstbijzittende collegaatje.
Behalve het fysieke ongemak, heeft ons micro-klimaat nog andere gevolgen. Rond deze tijd van het jaar vat ik het ene koudje na het andere. Omdat ik om zes uur ’s avonds licht bezweet van een Caribisch eiland richting koude heuveltop verkas. Een temperatuurverschil van toch minstens 10 graden.
Ondertussen kibbelen we hier rustig verder. Over te koud of te warm. Met steeds extravagantere stellingen: ‘tengo los pezones como para colgar ropa!’ (‘je kunt kleren ophangen aan mijn tepels’) , ‘esto parece la sección de congelados del Bon Area!’ (dat lijkt hier wel de diepvriesafdeling van de Bon Area) , ‘ mañana vengo en bikini!’ (morgen kom ik in bikini)’, ‘me están saliendo hongos no-te-voy- a decir-donde a de tanto calor!’ (ik begin te beschimmelen van de hitte op plaatsen die ik niet kan vernoemen). Spanjaarden… can’t live with them… can’t live without them…images

Gedachten

‘s Morgens in de auto, op weg naar het werk, zet ik graag de radio op. Mijn favoriete radio-zender is KISS FM, con tus favoritos de los 70,80, 90 y hoy! Meezingbare pop- en rockklassiekers dus. Om vrolijk van te worden voor ik me de rest van de dag achter mijn computer verschuil. Soms passeert er al eens een liedje de revue dat de gevoeligere snaar raakt. I’ll be missing you (https://www.youtube.com/watch?v=mM0-ZU8njdo) bijvoorbeeld, of Tears in heaven (https://www.youtube.com/watch?v=JxPj3GAYYZ0.) Dat laatste eindigt inderdaad in tranen, niet in heaven maar on the dashboard. Want dat gaat over afscheid nemen van iemand die je in dit leven nooit meer terug zal zien. Hopend op een ontmoeting in de hemel of in een ander leven. Hopend. Want of er leven na de dood bestaat, dat is nog maar de vraag. En als je iemand terugziet in de hemel, als de hemel al bestaat, hoe gaat dat dan precies in zijn werk? Hoe herkennen ze ons? Zien zij eruit zoals toen ze stierven? En zien zij ons zoals we waren op de laatste dag van hun leven? Of komen wij daar aan zoals wij er de laatste dag van ons leven uitzagen? Ook al waren we misschien peuters toen de andere stierf? Of is de hemel multidimensioneel en verander je van leeftijd en aspect al naargelang wie je ontmoet? 15 als ik ons vake boven tegenkom. 30 als het onze va is. Anderzijds…. hoe kan ik hen dan vertellen over Kai, dat kleine wonder dat geen van beiden ooit heeft mogen kennen? Om hen over Kai te kunnen vertellen moet ik minstens 33 zijn….Maar als ik daarboven aankom in mijn pittige dertiger-versie, herkent ons vake mij dan wel? Would you know my name, if I saw you in heaven? Would it be the same? Of hebben we in de hemel gewoon geen uiterlijke vorm? Zijn we alleen maar geest en essentie? Maar wat dan met die bijna-doodervaringen waarbij mensen terugkomen en vertellen dat ze hun oma zagen staan aan het einde van een lange lichttunnel? Vragen die ik me soms stel, vooral op een donderdagmorgen in de file , in de aanloop naar allerheiligen of op eender welk onbewaakt moment en waar ik vooralsnog geen antwoord op heb gevonden. Maar zoals een andere klassieker het stelt: ‘we’ll meet again, don’t know where, don’t know when, but… we’ll meet again.’ Toch?

índice

Facebook

Dat ik een nogal fervent facebookgebruiker ben hoef ik niemand meer te vertellen. Het is voor mij een manier om in contact te blijven, hoe oppervlakkig misschien ook, met al mijn international connecties, met mijn thuisland en met mijn verleden. Het is de digitale variant van het praatje dat ik graag met iemand had geslagen , was ik hem tegengekomen bij de uitgang van de supermarkt of bij de bakker. Of een uitlaatklep voor kleine of grote frustraties op de werkvloer. Of een forum voor het stellen van al dan niet domme vragen die ik graag even in de virtuele groep gooi. Natuurlijk had ik dat allemaal liever met een live-publiek gedaan, ergens op café of in de refter of bij de uitgang van de PG, maar het expatleven is soms eenzaam, er is hier geen PG en op facebook heb ik toegang tot een commune van min of meer gelijkgestemde zielen die ik graag als als klankbord gebruik. En uiteraard is Facebook ook een beetje een etalage waarin ik zorgvuldig geselecteerde stukjes van mijn leven tentoonstel. Zoals iedereen. Alleen de mooiste vakantiefoto’s. Alleen die kiekjes waarop je huis geen rommelkot lijkt. Alleen die prentjes waarop je samen met manlief verliefd de camera inblikt. En dan ben ik nog totaal technorigide en maak ik geen gebruik van filters en amateurfotoshopapps. Natuurlijk ben ik niet de enige die zich hier schuldig aan maakt. We doen het allemaal: ‘Amai, wadden bakkes trek ik hier op deze foto, dieje nie oep facebook, zenne.’ Uitgekiende foto’s van een metertje perfect afgereden gazon bij schemerlicht met op de voorgrond een Duveltje of een glas wijn en de hashtag #genieten. Stukje vuistdikke steak op den barbaceau, hashtag #nomnomnom , een paar voeten op een ligbed met een blauw stukje zwembad in de hoek , #vakantie #vivalavida. Etcétera, etcétera… En nee, dit is geen kritiek. Want ik doe er even enthousiast aan mee. Ons facebookleven lijkt soms een aaneenschakeling van perfecte momenten van een perfect leven. Op facebook geen frustratie omwille van het lange wachten op de luchthaven met bijhorende echtelijke ruzie ten gevolge, geen centimetertje verwaarloosde hof met hier een daar een strategische hondedrol en de rekening van den beenhouwer die toch ook wat hoger uitviel dan verwacht (jawadde zeg, 20€ voor zo’n onnozel stukske vlees???) blijft vanzelfsprekend onbesproken. En die voetenfoto aan het zwembad? Omdat de meer noordelijke regio’s van ons lijf gewoon niet meer zo voor publicatie vatbaar zijn. Zo zit dat.

Het begint me de laatste tijd evenwel meer en meer te dagen, dat ik die zorgvuldig geselecteerde façade die facebook is begin te zien als werkelijkheid. Dat het leven van anderen mij perfect lijkt en het mijne zo rampzalig. Dat iedereen zo succesvol lijkt, terwijl ik het gevoel heb maar wat aan te modderen. En daar wordt een mens dus niet gelukkig van. Van vergelijken. En soms heb ik dan opeens toch een diepgaande conversatie met iemand. En kom ik tot de conclusie dat iedereen zo zijn problemen heeft. Dat niemand perfect is. Dat elk huisje zo zijn kruisje heeft. En dat die kruisjes soms veel zwaarder te dragen zijn dan de mijne. En wat kwam ik vandaag tegen op de facebookpagina van de The Gentlemom? Bats, hier hèddet:

11150196_1610865335796687_8180748783673606022_n

En dus vandaag heb ik een paar fotootjes gepubliceerd waarop ik er alles behalve perfect uitzie. Waarop mijn neus te groot is en mijn kin te dubbel en mijn haar te dun en mijn ogen te klein. Foto’s waarvan ik gisteren nog zei: ‘Nieje, nieje, dieje nie op facebook, zenne!’ Foto’s die niet perfect zijn maar die wel perfect het plezier weergeven dat mijn vriendinnetje en ik op dat moment hadden. Omdat ik begin te beseffen dat ikzelf niet altijd zo nodig perfect hoef te zijn. Want dat niemand dat is.

Verkiezingsresultaten

Graag had ik u hier vergast op een kritische en intelligente uiteenzetting over de Catalaanse parlementsverkiezingen van afgelopen zondag en de gevolgen van de resultaten op korte, middellange en lange termijn. Maar helaas, de kwestie is zodanig ingewikkeld en genuanceerd, dat ik vrees met mijn beperkte kennis van de verschillende partijen, kandidaten en programma’s niet veel meer te kunnen vertellen dan wat jullie zelf al in de krant hebben kunnen lezen.

Daarom alleen dit. Mijn conclusie na het lezen van krantenartikels en het beluisteren van erudiete commentatoren op radio en televisie: er is niks veranderd. De zoveelste ‘historische resultaten’ die evenwel net niet historisch genoeg zijn om écht een verschil te maken. Mas die naar alle waarschijnlijkheid uit het zadel wordt gelicht ten voordele van de frissere en nog onbesproken Raül Romeva. En de anderglobalistische en anarchistische CUP, van wier medewerking de parlementaire meerderheid van Junts Pel Sí afhangt en die al hebben laten weten Mas niet opnieuw als president te zullen aanvaarden en geen nakende unilaterale onafhankelijkheidsverklaring te zullen ondersteunen. Voilà. We zijn weer terug bij af. Het enige verschil waarschijnlijk dat de onafhankelijkheidspartijen nu beter gesitueerd zijn om met Madrid te onderhandelen over verdere autonomie voor de Catalaanse regio. De soep wordt nooit zo heet gegeten als ze wordt opgediend. (Al chance, want we zouden er ons tong serieus aan verbrand hebben…)

Wat ik wel geleerd heb de afgelopen dagen: mocht Catalunya toch overgaan tot een unilaterale onafhankelijkheidsverklaring verliezen alle Catalanen de Spaanse nationaliteit (niks geen dubbel staatsburgerschap, eruit is eruit) en hoewel we uit de EU vliegen, behouden we mogelijkerwijs wél de EURO. Allé, vooruit.

Wat me nu nog rest is een week of twee debatteren met distributeurs uit andere Spaanse autonome regio’s, die allemaal graag mijn mening horen over de afgelopen verkiezen en er zondermeer vanuit gaan dat ‘jullie Catalanen allemaal uit Spanje wegwillen.’ Ondertussen neemt hier in Catalunya de spanning tussen voor- en tegenstanders van de independencia toe, met verhitte debatten op facebook. Verwijten over en weer van ‘falta de respeto’, ‘si no me quieres, no te quiero’ en ‘soy catalán pero soy español’ vs ‘soc catalá i som un país different’. Want dat is het échte resultaat van de verkiezingsslag: nog meer onderlinge verdeeldheid en onbegrip. Verdeel en heers?

scheuring

Ontspannend dagje uit

Wil je graag een ontspannend dagje uit, neem je kind dan mee naar een pretpark. Een waterpretpark, bij voorkeur, want in badpak of bikini, met al je lillend vlees op den toog , wordt het alleen maar leuker. In het zog van je dartele, onbezorgde tweejarige, plons je door het peuterbadje, al pogend geen enkel babyvingertje of peutervoetje onder je mammoetpoten te vertrappelen , zonder daarbij natuurlijk je eigen woelwater uit het oog te verliezen. Op een meter van je vandaan slipt hij net van een glibberig trapje. Met de eerste symptomen van een kleine hartstilstand waad je in ijltempo naar hem toe, hopend dat het water niet rood gaat kleuren. Maar hij staat alweer recht en lacht breed. Niks aan de hand. Dan wil hij in de grot met het regengordijn. Je stoot je hoofd tegen de laaghangende rotsen maar volgt hem dapper verder de grot in, want God weet welke monsters staan hem daar op te wachten. Behalve een mede-ouder die lijdzaam toekijkt hoe zijn peuterdochtertje druppels van de rotswand likt, is er verder niks of niemand te bekennen.

De buil op je hoofd is nog in volle ontwikkeling als je zoontje je vraagt mee van de schuifaf te gaan. De schuifaf op peuterformaat uiteraard. Nèt iets te smal voor een 34-jarige kont. Maar het idee je kleine druif er alleen te laten afglijden, het woeste (0.5 meter hoge) water in, doet je alweer hyperventileren, dus prop je je billen zo goed en zo kwaad het kan op het mini-glijbaantje en duw je jezelf een weg naar beneden, wetend dat morgen alles bont en blauw zal zien en en passant je vinger openhalend aan de onverwacht scherpe zijkant. Kleurt het water alsnog rood. De verantwoordelijke volwassene en moeder in je staat nog te overwegen of ze klacht moet indienen bij de directie van het waterpark voor overdreven scherpe randjes als je zoontje weerom van de gladde traptreetjes slipt. Dubbele klacht dan maar? Twee vliegen in één klap ? Je bent er nog niet uit of je onversaagde tweejarige is al bezig een waterkasteel te beklimmen, waarbij hij duidelijk de allerhoogste glijbaan als einddoel heeft. Je spurt mee naar boven, vertrappelt onderweg drie of vier kleine kinderen en komt net op tijd aan om achter je kleine van de glijbaan te roetsjen en met een hard bonk op de bodem van het plonsbad te landen. Je kont ziet blauw maar je kleine is niet verzopen. Hèhè, dat hebben we weer goed gedaan.

índiceAls verantwoorde moeder had je natuurlijk ook frigoboxen vol gezonde snacks bij waar zoonlief niet eens naar omkijkt. Ondanks herhaaldelijk aandringen eet hij niet meer dan twee hapjes van de Ecuotoriaanse aardappelsalade, hoeft hij geen broodstokjes of rozijntjes, maar eet hij halverwege de middag wèl de zak doritos leeg.

‘Gaan we naar huis ?’, vraag je rond een uur of 5. ‘Nee, a casa no’, luidt het overduidelijke antwoord. ‘Maar ben je dan niet, moe?’, vraag je hoopvol. ‘Nee, Kai slapen nee’. Met de belofte nog even langs de dolfijnen en zeeleeuwen te lopen, krijg je het kleine grut dan toch eindelijk op weg richting uitgang, waar je eerst nog een verplicht rondje spitsroeden lopen doorheen de gift shop wacht. Bij de auto aangekomen, zet je een bruinverbrand mannetje in de autostoel. Hij zoekt en vindt meteen zijn knuffellapje en tutje en valt als een blok in slaap. Nu nog anderhalf uur rijden en je ontspannend dagje uit is over.

Kinderen

Gevoelig ben ik altijd al wel geweest. Tranen met tuiten huilen met films en boeken, veel moeite heeft het me nooit gekost. Maar sinds ik moeder ben, lijkt die gevoeligheid alleen nog maar toegenomen. Het journaal uitkijken is tegenwoordig een ware foltering. Zoveel dood en geweld, zoveel lijden, zoveel verdriet,… Vooral de kindergezichten die op het scherm voorbijflisten, met ogen wijd open van de schrik of gevuld met tranen of – erger nog – zonder enige uitdrukking, in leven dood… het raakt me. Fysiek zelfs. Mijn maag krampt er van samen en ik wordt er letterlijk misselijk van.

131208074706-02-syrian-refugees-1208-horizontal-large-galleryNu de vluchtelingen uit Syrië dagelijks mijn scherm vullen, begin ik me af te vragen of ik niet beter de televisie uit laat, mijn kop in het zand steek en in plaats daarvan op facebook wat onschuldige puppyfoto’s bekijk. Niet omdat het me niks kan schelen. Niet omdat ik vind dat ze hun problemen maar in hun eigen land moeten oplossen en ‘eigen schuld, dikke bult’ en waarom moeten wij opdraaien voor hunnen ambras, en meer van dat gelul waarin sommige online lezers van kranten en opiniebladen tegenwoordig grossieren. Maar omdat ik in de gezichten van al die kinderen, die door wanhopige vaders over prikkeldraad worden geheven of in propvolle treinen worden geduwd of die midden op een Bulgaars of Macedonisch plein ergens op de blote grond liggen te slapen of op een Grieks eiland met verwarde haren naar de zee staren… in al die gezichten van al die kinderen… het gezicht van mijn zoontje weerspiegeld zie. Ze lijken allemaal zo op hem.

imagesIk zou door het scherm van de televisie willen kunnen reiken en dat kleine jongetje, dat op een Bulgaars plein onder de blote hemel slaapt, zijn knuistjes onder zijn hoofdje en zijn tutje in de mond – zoals Kai – in mijn armen nemen en naar een zacht bedje dragen – zoals dat van Kai – en hem onderstoppen met een naar pasgewassen ruikend laken – zoals dat van Kai – tot hij de volgende morgen wakker wordt in een andere, veiligere, betere wereld.

En dat jongetje dat op de reddingsboot staat te huilen, zijn armen uitgestrekt in het niets, terwijl rondom hem volwassenen roepen en aan hem wegduwen, tot uiteindelijk een man – zijn vader? – hem in zijn armen meegraait en verder het dek opneemt… wat zou ik dat jongetje graag troosten en hem zeggen: ‘niet huilen , lieve schat, mama is hier, er kan niks gebeuren.’

Maar ik kan niks doen. Behalve machteloos toekijken. Microdonaties aan Artsen Zonder Grezen en Unicef verrichten die vermoedelijk weinig of niks veranderen. En Kai nog eens vastpakken en knuffelen, waarbij ik hem misschien iets harder vastknijp dan nodig…

Carta abierta a los conductores del A2

Queridos compañeros conductores,

Cada mañana comparto con vosotros el tedioso trayecto por carretera hacia el trabajo. Por la noche regresamos juntos a casa, felices con la idea de poder estirarnos pronto en el sofá y dejar atrás los líos laborales. Tenemos tanto en común,… tantos kilómetros de carretera que nos unen,… deberíamos ser amigos, deberíamos llevarnos bien y cuidar el uno del otro, haciendo el tedioso trayecto de la mañana más ameno y la vuelta a casa por la noche más rápida. Porque para eso están los amigos. Para hacernos la vida más amena y más fácil. ¿Verdad?

¡Pues no! Se ve que en vez de considerar a los demás conductores como unos amigos, de esos distantes y remotos pero a la vez tan cercanos, algunos de vosotros preferís ver el A2 como un circuito cerrado y convertir el camino al curro en una carrera de fórmula 1 donde vosotros sois Alonso (orgullo patria, como no) y los demás el Lewis Hamilton de los cojones. Al Lewis Hamilton de los cojones obviamente no vais a dejar que os adelante nunca, por mucho intermitente que ponga, por mucho que tenga prioridad o por mucho que esté a punto de perderse la salida al trabajo. ¡Que se joda, el muy cabrón! Olvidáis de paso que es poco probable que el Lewis Hamilton de los cojones vaya por el A2 dirección a Barcelona, a las 8 y media de la mañana, en un fiat grande punto abollado y rayado y con una sillita de bebe bamboleándose en los asientos traseros. Claro que no os molestáis en fijaros bien: sois pilotos profesionales y os concentráis en el camino delante y el recorrido por hacer, en batir récords de tiempo y llegar al curro con tiempo suficiente para fumaros un piti y tomaros un cafelito antes de entrar a la ofi. Porque eso sí que es importante. Sin piti y café no sois vosotros mismos.

Las reglas de tráfico os las pasáis igualmente por el forro. Porque en un circuito cerrado tampoco se aplican, leches. ¿Prioridad? ¡Es una carrera, tía, a ver si te enteras, no hay prioridad! ¡El que cede el paso pierde la carrera!

¿Margen de distancia? No, mujer, ni margen de distancia ni ostias en vinagre. O te apuras o te apuro yo, pegándome como chicle a tu parachoques trasero. ¿Que al lado tienes un tráiler de un par de toneladas que amenaza con aplastarte contra el guardarrails de la izquierda? No seas llorica, eso solamente lo hace más divertido! ¡Ese subidón de adrenalina de buena mañana! ¡Mejor que un piti con cafelito!

¿Usar los intermitentes? Hombre, no, pa’ eso no tengo tiempo: tú que estás ahí estorbando con tu caracol sobre ruedas, debes de ceder el paso sin más a mi semental de acero en cuanto me veas venir. Con o sin intermitentes. Puedas o no puedas. Si hace falta, ocasionas un choque en cadena con otros caracoles como tú, pero a mí me cedes el paso. ¿Entendido?

Sí, amigo, entendido. Lástima no poder llevarnos mejor. Lástima no poder compartir ese cafelito mañanero (el piti te lo dejo que no fumo) juntos, hablando sobre el tiempo y el último partido del Barça. Lástima que tengas que ser tan cabrón, con los buenos amigos que podríamos haber sido si no fuera por el A2….

Saludos cordiales,

Vuestra ex-amiga.